Huiskrekel
De huiskrekel is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Azië en Noord-Afrika, maar is inmiddels volledig in Nederland ingeburgerd. Vooral in woningen, bakkerijen, hotels, restaurants, inrichtingen en overdekte zwembaden voelt hij zich uitstekend thuis. Soms kunnen we de huiskrekel ook buiten aantreffen.

Huiskrekel.jpgKenmerkend voor de huiskrekel (en de meeste andere krekel- en sprinkhaansoorten) is het zogenaamde ' zingen'. Dit tjirpende geluid wordt veroorzaakt doordat de mannetjes hun voorvleugels langs elkaar strijken en dient om mannetjes en vrouwtjes bij elkaar te brengen.

Huiskrekels worden aangetroffen achter verwarmingsbuizen, radiatoren en ovens, in kieren en naden, doorvoeropeningen van leidingen en boven plafonds. Huiskrekels kunnen 10 tot 20 dagen overleven zonder voedsel.

Huiskrekels zijn 17 tot 20 mm lang, exclusief de lange antennes. Zij zijn geel tot grijsbruin van kleur met een bruinzwarte tekening op kop en borststuk. Door hun goed ontwikkelde achterpoten kunnen ze sprongen maken van wel 20 cm ver en tot 8 cm hoog. Ze hebben ook vleugels, en kunnen zich vliegend verplaatsen.

 

 

In dit onderzoek ga je onderzoeken welke omgevingsfactoren invloed hebben op het gedrag van de huiskrekel en op welke wijze. Deze omgevingsfactoren kunnen zijn: licht of donker, droog of nat, warm of koud, met of zonder voedsel.

De hoofdvraag luidt: Welke omgevingsfactoren hebben invloed op het gedrag van de huiskrekel en hoe zie je dat? Leg in eigen woorden uit waar het onderzoek over gaat.

1.1 (A) Probleem uitleggen
Ik kan bij een gegeven probleem in eigen woorden uitleggen waar het om gaat, met ondersteuning begeleider.

 

 

 

Stel voor elke factor een heldere en haalbare onderzoeksvraag op. Dit zijn de deelvragen waar je in dit onderzoek antwoord op probeert te krijgen 1.2 (B) Formuleren van deelvragen bij onderzoeksvraag
Ik kan bij een gegeven hoofdvraag een aantal deelvragen formuleren die passen bij het doel van het onderzoek.

 

 

 

Bedenk voor iedere deelvraag een antwoord (een hypothese). Zie ook Terugkijken naar hypothese. 1.3 (C) Hypothese opstellen met ondersteuning
Ik kan een hypothese opstellen bij een onderzoeksvraag en dit uitleggen, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

 

Om antwoord te krijgen op de gestelde vragen ga je een viertal onderzoekjes doen, waarbij je de volgende spullen nodig hebt:
  • vier onderzoeksbakken waarin proefjes worden gedaan
  • pen en papier
  • stopwatch (een op elke tafel)

Deze spullen krijg je van je docent. Je docent legt ook uit wat je gaat doen.

2.1 (A) Onderzoeksmethode gegeven
Ik krijg de onderzoeksmethode aangereikt. Met aanwijzingen van de begeleider weet ik hoe ik deze methode moet uitvoeren.

 

 

 

Je gaat met een groepje aan een tafel zitten waarop een bak staat. Je schrijft op welk onderzoek er aan deze tafel wordt gedaan (licht/donker, droog/nat, enz.). 3.1 (A) Onderzoek opzetten met ondersteuning
Ik kan met de gegeven materialen het onderzoek opzetten, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

 

Bekijk je hypothese voor die proef nog een keer. Dit doe je dus bij elke nieuwe tafel. 1.3 (C) Hypothese opstellen met ondersteuning
Ik kan een hypothese opstellen bij een onderzoeksvraag en dit uitleggen, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

 

De docent of toa doet een paar krekels in de bak.
Iedereen in de groep kiest een krekel die hij 5 minuten volgt.
Elke 30 seconden schrijf hij op waar zijn krekel zich in de bak bevindt.
Doe dit in een tabel, bijvoorbeeld:

Licht

Donker

30 sec.

x

60 sec.

x

Enz..

3.2 (A) Onderzoek stap voor stap uitvoeren
Ik kan het onderzoek uitvoeren volgens onderzoeksplan, stap voor stap, ondersteund door de begeleider.

 

 

 

Na 5 minuten stop je de meting. In de tabel staan nu je resultaten.
De resultaten vergelijk je in de groep.
4.1 (A) gegevens verwerken in een tabel
Ik kan de gegevens verwerken in een tabel, op aanwijzingen van de begeleider.

 

 

 

Bedenk nu samen een conclusie. 5.1 (B) Samen conclusies formuleren
Ik kan (in een groepje) een conclusie formuleren passend bij de gegevens.

 

 

 

Klopt de conclusie met je verwachting (hypothese)?
De docent zal aangeven wanneer je met je groep aan een andere tafel gaat zitten.
Voer opnieuw een experiment uit om antwoord te vinden op één van de nog overgebleven vragen. Wat is jullie conclusie nadat je alle vier de proefjes hebt uitgevoerd?
5.3 (B) Conclusies vergelijken met hypothese, met begeleiding
Ik kan de onderzoeksresultaten en conclusies vergelijken met de hypothese, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

 

Schrijf met je groepje kort op hoe het onderzoek is verlopen.
Leg uit waarom krekels soms buiten (wanneer?) zijn, maar zich toch vooral thuis voelen in woningen, bakkerijen, hotels, restaurants, inrichtingen en overdekte zwembaden.
6.1 (A) Verslag schrijven volgens gegeven opzet
Ik kan opschrijven hoe het onderzoek is verlopen, hiervoor gebruik ik een opzet die ik van de docent heb gekregen.

 

 

 

Schrijf met je groepje kort op wat het nut is van het uitvoeren van dit soort onderzoek. 7.3 (A) Uitleggen waarom onderzoek is gedaan
Ik begrijp het nut van het uitvoeren van dit onderzoek.

 

 

 

TIP VOOR DE DOCENT
Per onderzoeksbak wordt geadviseerd 4-5 krekels te gebruiken. In principe observeert iedere leerling 1 krekel (ongeveer 4 leerlingen per bak). Het is ook handig om verschillende groottes/kleurverschillen bij de krekels te gebruiken om onderscheid te maken.