Voedingsstoffen
Het is de droom van Holle Bolle Gijs. Hij kon schrokken, grote brokken. Maar… dat is niet goed voor Gijs. Teveel eten zorgt dat je teveel calorieën binnen krijgt. De tijden zijn veranderd. Gijs kan tegenwoordig zijn gulzige gang gaan. Want nu maken voedsel-, snack- en snoepfabrikanten heerlijkheden waar je met een gerust hart van eten kan. Zoveel je maar wilt. Zelfs elke dag taart. Als het maar taart is waar een ondergaand zonnetje met de woorden 'Ik Kies Bewust' op staat.
Aantonen van voedingsstoffen
Bewust kiezen. Wat is dat? Kun je zelf onderzoek doen naar voedingsstoffen in voedingsmiddelen? Bijvoorbeeld naar de hoeveelheid suiker? In dit experiment ga je aantonen of bepaalde voedingsstoffen wel of niet in een product zitten.

Glucose en zetmeel zijn voedingsstoffen. Ze komen in verschillende voedingsmiddelen voor. Je kunt ze niet zien, maar wel aantonen  met een indicator. Een indicator is een aantoonstof die verandert van kleur wanneer de voedingsstof aanwezig is. Dit kan een vloeistof zijn, maar bijvoorbeeld ook een teststrookje.
Als je voedingsstoffen hebt aangetoond kun je vervolgonderzoek doen naar de hoeveelheid  van elke voedingsstof. Bij proef 1 ga je glucose aantonen, bij proef 2  zetmeel.

 

PROEF 1

Je gaat onderzoeken hoe je glucose kunt aantonen. 1.1 (A) Probleem uitleggen
Ik kan bij een gegeven probleem in eigen woorden uitleggen waar het om gaat, met ondersteuning begeleider.

 

 

Welke onderzoeksvraag vind jij het best passen bij dit onderzoek?
  1. Hoe kun je aantonen dat glucose en zetmeel verschillende stoffen zijn?
  2. Hoe kun je met een indicator glucose aantonen?
  3. Hoe kun je aantonen hoeveel glucose er in een voedingsmiddel zit?
1.2 (A) Kiezen van een onderzoeks-vraag
Ik kan uit een aantal gegeven onderzoeksvragen de onderzoeksvraag kiezen die past bij het doel van het onderzoek.
 

 

Welke hypothese vind jij het best passen bij dit onderzoek?
  1. Glucose kun je aantonen met een teststrookje. De kleur van het teststrookje verandert wanneer glucose aanwezig is.
  2. Glucose kun je aantonen met een teststrookje. De kleur van het teststrookje verandert niet wanneer glucose aanwezig is.
1.3 (A) Kiezen van hypothese met ondersteuning
Ik kan uit een aantal gegeven hypotheses een keuze maken, met ondersteuning van de begeleider.
 

 

Je hebt nodig:
  • twee reageerbuizen
  • water (spuitfles)
  • glucoseoplossing (in bekerglas)
  • twee teststrookjes (Clinistix)
  • een stift
3.1 (A) Onderzoek opzetten met ondersteuning
Ik kan met de gegeven materialen het onderzoek opzetten, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

  • Nummer de twee buizen.
  • Doe buis 1 halfvol met water uit de spuitfles.
  • Doe buis 2 halfvol met de glucoseoplossing.
  • Doop een teststrookje 5 seconden in buis 1 en let op de kleur van het strookje.
  • Doop een nieuw teststrookje 5 seconden in buis 2 en let op de kleur van het strookje.
  • Teken de opstelling en benoem alle onderdelen van de materialen die je hebt gebruikt.
3.2 (A) Onderzoek stap voor stap uitvoeren
Ik kan het onderzoek uitvoeren volgens onderzoeksplan, stap voor stap, ondersteund door de begeleider.

 

 

Vergelijk de kleur van beide teststrookjes met elkaar. Kijk op de legenda van het Clinistixbuisje (of legendakaartje) wat de kleur betekent. Noteer je resultaten in de tabel.
Kleur van teststrookje Glucose aanwezig?
Buis 1
Buis 2
4.1 (A) Gegevens verwerken in een tabel
Ik kan de gegevens verwerken in een tabel, op aanwijzingen van de begeleider.

 

 

Conclusie:
Je kunt glucose aantonen door … (maak de zin verder af).
5.1 (B) Samen conclusies formuleren
Ik kan (in een groepje) een conclusie formuleren passend bij de gegevens en gebruiken.

 

 

Leg uit:
Mijn hypothese klopte / klopte niet, omdat ...
5.3 (B) Conclusies vergelijken met hypothese, met begeleiding
Ik kan de onderzoeksresultaten en conclusies vergelijken met de hypothese, met ondersteuning van de begeleider.

 

PROEF 2

Je gaat onderzoeken hoe je zetmeel kunt aantonen. 1.1 (A) Probleem uitleggen
Ik kan bij een gegeven probleem in eigen woorden uitleggen waar het om gaat, met ondersteuning begeleider.

 

 

Welke onderzoeksvraag past volgens jou het best bij dit onderzoek?
  1. Hoe kun je aantonen of glucose en zetmeel verschillende stoffen zijn?
  2. Hoe kun je met een indicator zetmeel aantonen?
  3. Hoe kun je aantonen hoeveel zetmeel er in een voedingsmiddel zit?
1.2 (A) Kiezen van een onderzoeksvraag
Ik kan uit een aantal gegeven onderzoeksvragen de onderzoeksvraag kiezen die past bij het doel van het onderzoek.

 

 

Welke hypothese past het best  bij dit onderzoek?
  1. Zetmeel kun je aantonen met jodium. De kleur van het jodium verandert wanneer zetmeel aanwezig is.
  2. Zetmeel kun je aantonen met jodium. De kleur van het jodium verandert niet wanneer zetmeel aanwezig is.
1.3 (A) Kiezen van hypothese met ondersteuning
Ik kan uit een aantal gegeven hypotheses een keuze maken, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

Je hebt nodig:
  • twee reageerbuizen
  • water (spuitfles)
  • zetmeeloplossing (in bekerglas)
  • druppelfles met jodium
  • een stift
3.1 (A) Onderzoek opzetten met ondersteuning
Ik kan met de gegeven materialen het onderzoek opzetten, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

  • Nummer de twee buizen.
  • Doe buis 1 halfvol met water uit de spuitfles.
  • Doe buis 2 halfvol met de zetmeeloplossing.
  • Druppel in buis 1 vijf druppels jodium en let op de kleur van de oplossing.
  • Druppel in buis 2 vijf druppels jodium en let op de kleur van de oplossing.
  • Teken de opstelling en benoem alle onderdelen van de materialen die je hebt gebruikt.
3.2 (A) Onderzoek stap voor stap uitvoeren
Ik kan het onderzoek uitvoeren volgens onderzoeksplan, stap voor stap, ondersteund door de begeleider.

 

 

Bedenk zelf een schema voor het invullen van de resultaten (kijk nog eens naar het schema van proef 1). 4.1 (C) Gegevens verwerken in meerdere weergavevormen
Ik kan gegevens verwerken in een tabel en dit omzetten tot een grafiek of andere weergavevorm.

 

 

Kijk naar het doel en de resultaten en schrijf je conclusie op. 5.1 (C) Conclusies formuleren
Ik kan één of meerdere conclusies formuleren passend bij de gegevens.

 

 

Klopt je hypothese? Leg uit. 5.3 (B) Conclusies vergelijken met hypothese, met begeleiding
Ik kan de onderzoeksresultaten  en conclusies vergelijken met de hypothese, met ondersteuning van de begeleider.

 

 

Noteer of alles is verlopen zoals je had verwacht. Schrijf ook op als iets niet ging zoals je verwachtte. 6.1 (B) Verslag schrijven aan de hand van logboek
Ik kan een onderzoeksverslag schrijven over het onderzoek volgens een gegeven structuur en met behulp van het logboek.

 

 

Wat is het doel van de buizen met water waaraan je de indicator toevoegde? Hoe noem je deze buizen? 7.3 (C) Uitleggen nut van onderzoek in het algemeen
Ik kan de relevantie van dit onderzoek benoemen voor dit onderzoek en in algemeen maatschappelijk belang.

 

 

Je hebt samengewerkt met een klasgenoot. Schrijf een sterk punt van je practicum-partner op zoals dat tijdens het onderzoek naar voren kwam. Bijvoorbeeld: 'Kees kon een juiste tabel maken voor de resultaten' of 'Kees kon goed waarnemen bij het toevoegen van de indicator'.

Bespreek elkaars sterke punten. Zijn er punten die je zelf zou kunnen verbeteren?

7.4 (C) Verbeter- en leerpunten benoemen bij onderzoeken
Ik kan benoemen waarin ik ben verbeterd wat betreft onderzoeken en wat ik nog zou willen leren.

 

 

In de proef heb je buizen gekregen waarvan je wist wat erin zat. Stel je krijgt van je docent een buis met een onbekende oplossing (er kan glucose, zetmeel of een mix van beide oplossingen in zitten). Bedenk een proef hoe je kunt onderzoeken wat er in de buis zit. Schrijf de benodigdheden en werkwijze op. 5.4 (C) Formuleren van nieuw onderzoek
Ik kan op basis van deze vergelijkingen komen tot het formuleren van nieuw onderzoek.